Als koorknaap in Bergen, werd Raoul de Lâtre (later Orlandus Lassus) een paar keer ‘ontvoerd’ om zijn heldere en zoete stem, maar zijn ouders haalden hem telkens terug. Zo vertelt althans zijn eerste biograaf. Zijn ouders lieten het wel toe dat hij – op 14-jarige leeftijd – door Ferrante Gonzaga, een edelman, die veldheer was geweest onder Keizer Karel V, mee naar Italië werd genomen. Lassus werkte vervolgens in Rome. In 1556 werd hij lid van de hofkapel van hertog Albrecht V van Beieren in München. Vier jaar later stond hij aan het hoofd van dezelfde hofkapel, waar hij bleef tot aan zijn dood. Orlandus huwde en had twee zonen.
Hij was een veelschrijver. Van hem zijn 53 polyfone missen bekend en ca. 1250 motetten, requiems, madrigalen, chansons. Hij gaf zijn composities uit in Venetië, Antwerpen, Nürnberg, Rome, Parijs, München, maar ook in Leuven (1564, 1569 en 1570).
Lassus gebruikte zijn eigen gecomponeerde 6-stemmige motet Surge propera amica mea als model voor de zesstemmige mis die Currende vandaag ten gehore brengt. De tekst van het motet komt uit het Hooglied en luidt in het Nederlands ‘Sta op, haast u, mijn vriendin, mijn duif, mijn schone …’. Het symboliseert de liefde tussen bruidegom en de bruid. Als beeldspraak beschrijft het ook de komst van de lente.
De Missa super Surge propera werd voor het eerst gepubliceerd in 1577 in Parijs. Voor de zesstemmigheid wordt de sopraan en de tenorpartij ontdubbeld. Met de twee motetten – een ode aan het huwelijk enerzijds en een andere tekst uit het Hooglied anderzijds – blijven we in de sfeer van de liefde.
